Wijzigingen per 1 januari 2011
De wijzigingen per 1 januari 2011 echter des te meer, omdat zij daar bij het maken van de aangiftes direct mee in aanraking komen. In deze weblog wil ik kort een aantal in het oog springende wijzigingen per 1 januari 2011 de revue laten passeren.
Partnerregeling (art. 1.2 Wet IB 2001)
Één van de meest in het oog springende wijzigingen, is de wijziging in het partnerbegrip. Tot 1 januari 2011 was je partner indien je gehuwd was en niet duurzaam gescheiden leefde dan wel indien je niet gehuwd was, gedurende meer dan zes maanden op hetzelfde woonadres in de GBA ingeschreven stond, een gezamenlijke huishouding voerde en koos voor fiscaal partnerschap.
Per 1 januari 2011 is dit gewijzigd. Vanaf die datum is er sprake van partnerschap indien aan de voorwaarden van art. 1.2 Wet IB 2001 dan wel art. 5A AWR voldaan wordt. Voor een nadere uitweiding over de in art. 5A AWR en art. 1.2 Wet IB 2001 genoemde eisen verwijs ik graag naar mijn vorige weblog.
Eigen woning
Voor wat betreft de eigen woning zijn eigenlijk alleen een aantal crisismaatregelen van belang. Per 1 januari 2011 wordt de termijn van twee jaar, welke genoemd is in de leegstandsregeling bij verkoop van een voormalige eigen woning (3.111 lid 2 Wet IB 2001) alsmede de leegstandsregeling bij aankoop van nieuwe eigen woning (3.111 lid 3 Wet IB 2001) opgerekt naar drie jaar.
Voor de voormalige woning die in 2008 te koop is gezet, wordt in 2011 nog aangemerkt als eigen woning. De leegstaande toekomstige eigen woning dient binnen drie jaar, dus uiterlijk in 2014, als hoofdverblijf te dienen wil het mogelijk zijn de hypotheekrente op deze woning af te trekken.
Peildatum box 3
Tot en met het jaar 2010 waren wij gewend om voor de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen het gemiddelde te nemen van het aanwezige vermogen aan het begin en het einde van het jaar. Gevolg hiervan was dat de inkomensbestanddelen die kort voor verlopen van de peildatum in box 3 terecht kwamen, in de heffing van het betreffende jaar terecht kwamen. Ik hoef hierbij maar te verwijzen naar het lot uit de oudejaarsloterij.
Per 1 januari 2011 wordt er niet meer gewerkt met twee peildata, maar wordt alleen gekeken wordt naar het op 1 januari aanwezige vermogen. In principe wordt over het op 1 januari aanwezige vermogen een forfaitair rendement geteld van 4%. Dit percentage wordt, op grond van art. 5.2 lid 3 Wet IB 2001, alleen herrekend indien de belastingplichtige aan het begin van het kalenderjaar nog niet binnenlands belastingplichtig was dan wel de binnenlandse belastingplicht gedurende het jaar anders dan door overlijden eindigt.
Ik wens degene die een aangifte moeten doen van iemand die in 2011 naar Nederland geïmmigreerd is dan ook veel succes met het verzamelen van alle gegevens om het vermogen op 1 januari 2011, zijnde het moment waarop de immigrant nog geen duurzame band met Nederland heeft.
Verliezen op beleggingen in durfkapitaal
Per 1 januari 2011 is de aftrekpost voor verliezen op durfkapitaal, welke opgenomen was in art. 6.1 lid 2 sub b Wet IB 2001, komen te vervallen. Dat betekent kort gezegd dat verliezen op een durfkapitaallening, vanaf 1 januari 2011 niet meer aftrekbaar zijn.
Waar u echter wel mee rekening dient te houden is het feit dat dit enkel en alleen geldt voor durfkapitaalleningen die vanaf 1 januari 2011 worden afgesloten. Voor oude durfkapitaalleningen blijven dus de oude regels gelden zoals die vermeld zijn in art. 6.8 Wet IB 2001 (wettekst 2010).
Alle wijzigingen
Aangezien deze weblog te kort is voor het vermelden van alle wijzigingen per 1 januari 2011, verwijs ik voor een overzicht naar het eindejaarsbericht 2010.
Drs. M.A.A. Knops CB
0 reactie(s)