Overdrachtsbelasting
Het ging hier om de inbreng van een maatschap in een bestaande BV. De maten deden (alleen) voor de overdrachtsbelasting een beroep op de vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel e, sub 2e van de Wet op belastingen van rechtsverkeer. De inspecteur weigerde de vrijstelling voor alle maten omdat een van hen zijn buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen (nog) niet kon inbrengen.
Hardheidsclausule
Na een beroep op de hardheidsclausule (artikel 63 AWR) werd de vrijstelling verleend voor de andere maten; volgens de inspecteur vereist artikel 5 Uitvoeringsbesluit belastingen van rechtsverkeer dat ook buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen wordt ingebracht. Hij verwijst hiervoor naar de geruisloze inbreng in een BV voor de inkomstenbelasting, waarbij vereist is dat een zelfstandige onderneming wordt ingebracht (zie themadossier Van IB-onderneming naar BV).
Wijziging eigendom
Rechtbank Arnhem (nr. 09/3686) acht dit standpunt onjuist. Artikel 5 Uitv. besl. WBR bepaalt dat alle tot het ondernemingsvermogen behorende activa en passiva worden ingebracht, waaronder ook de onderneming bestaande in een deelgerechtigdheid moet worden verstaan. Dit vereiste wordt echter alleen gesteld om te waarborgen dat de bestaande eigendom(sverhoudingen) niet wijzigen. Door het niet inbrengen van buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen wijzigt de eigendom daarvan niet, zodat de vrijstelling ten onrechte is geweigerd. Anders dan de inspecteur betoogt, is niet van belang welke voorwaarden artikel 3.65 Wet IB 2001 stelt bij een geruisloze inbreng voor de IB.
Bron: Redactie FiscaalTotaal - [25-02-2011]
0 reactie(s)