Vruchtgebruikconstructies
Staatssecretaris Weekers van Financiën heeft op 18 oktober 2011 aangegeven alsnog een overgangsregeling te treffen voor de vruchtgebruikconstructies die tot 2010 onder de Successiewet mogelijk waren. In dezelfde Kamerbrief (nr. DGB2011/5072U) doet hij twee toezeggingen over de zakelijke huurprijs.
Waardestijging woning
Het gaat om de situatie waarin ouders hun woning overdragen aan de kinderen onder voorbehoud van een gebruiksrecht. In de resolutie van 30 november 1964, nr. D4/8981 werd goedgekeurd dat bij overlijden van de ouders kon worden uitgegaan van de waarde op het moment van overdracht. De waardestijging van de woning tussen het moment van overdracht en de verkrijging van de volledige eigendom werd daardoor niet belast met erfrecht terwijl de ouders materieel gezien door het voorbehouden gebruiksrecht in dezelfde positie verkeren als voor de overdracht. Deze resolutie is bij de herziening van de Successiewet ingetrokken en er is op dat moment bewust afgezien van het treffen van overgangsrecht, zodat onder artikel 10 SW wordt geheven naar de waarde op het moment van overlijden van de ouders.
Gewekt vertrouwen
In zijn antwoord op Kamervragen erkent staatssecretaris Weekers dat sprake is van gewekt vertrouwen en dat minister De Jager heeft toegezegd om de praktijkgevolgen van de aanpassing van artikel 10 SW twee jaar na wijziging te bezien. Daarom zal hij in een toekomstig besluit alsnog een overgangsregeling treffen voor situaties die zijn ontstaan door een overdracht van de woning vóór 1 januari 2010.
Het overgangsrecht zal erop neerkomen dat de betreffende belastingplichtigen bij het overlijden van (een van) hun ouders mogen uitgaan van de waarde van de woning op het tijdstip van de rechtshandeling waarbij de woning is overgedragen, vermeerderd met de waardestijging van 1 januari 2010 tot de overlijdensdatum. Hierdoor wordt een waardestijging tussen het moment van de rechtshandeling en 1 januari 2010 niet meegenomen voor de toepassing van artikel 10 SW.
Het overgangsrecht geldt ook voor situaties waarin het vruchtgebruik inmiddels is omgezet in huur. Voor artikel 10 SW dient men in de genoemde gevallen uit te gaan van de WOZ-waarde van de woning op het moment van het overlijden, gerelateerd aan de staat van de woning op het moment van de vervreemding aan de kinderen. Dit betekent - zoals minister De Jager al eerder aangaf (DGB2010/1974) - dat bij tussentijdse verbeteringen de waardestijging ontstaan door de verbeteringen niet in de heffing (op grond van artikel 10 SW) wordt betrokken. De belanghebbende kan elke manier aannemelijk maken dat sprake is van verbeteringen (vrije bewijsregeling).
Geen indexering
De kosten van het overgangsrecht worden geschat op 10 miljoen euro en zullen feitelijk worden gedragen door andere belastingplichtigen: de bedragen van de eerste tariefschijf (7.3 Fiscale cijfers) en de vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting (7.2 respectievelijk 7.1 Fiscale cijfers) worden voor 2012 niet geïndexeerd.
Weekers doet in zijn Kamerbrief nog de volgende toezeggingen:
- Hij gaat in 2012 een nader onderzoek instellen naar de houdbaarheid van het in de SW gehanteerde forfaitaire percentage van 6 procent wat hoger is dan de marktrente. Bij dit onderzoek zal onder meer worden gekeken naar de gevolgen van een eventuele aanpassing van het percentage voor bepaalde verervingssituaties, zoals die van de wettelijke verdeling. Ook zal een verband gelegd kunnen worden met de inkomstenbelasting.
- In het besluit van 6 januari 2011, nr. DGB2010/6643M is goedgekeurd dat bij huursituaties van vóór 2010 kan worden uitgegaan van een zakelijke huurprijs. De goedkeuring geldt echter ook als de betrokkenen in redelijkheid konden aannemen dat de overeengekomen huurprijs zakelijk was en deze tot het overlijden zakelijk is gebleven. De formulering van het beleidsbesluit dus strikter dan noodzakelijk en zal worden versoepeld. Voor huursituaties die op of na 1 januari 2010 zijn ontstaan geldt de wettelijke regeling, waarbij een huursom van 6% van de waarde van de woning in onbezwaarde staat als voorwaarde geldt om toepassing van artikel 10 SW te voorkomen. Er dient uitgegaan te worden van een huursom van 6% van de WOZ-waarde van de woning.
Bron: Redactie FiscaalTotaal - [21-10-2011]

0 reactie(s)